| Familiefoto op de schouw |
| waarin het oude vuur al dooft. |
| Bleke gezichten zonder antwoord. |
| Geen één die in de vraag gelooft. |
| Ren zo hard je rennen kunt. |
| Het ligt niet aan de buren. |
| Het ligt aan jou. |
| Weer zo’n grijze morgen: |
| Je trapt de denkens weg |
| en de hemel blijft aan je kleven. |
| Je blik in de spiegel |
| is een blik in de afgrond, |
| en die vrouw daar, blijft haar hele leven. |
| Weer die halvarine, |
| en koffie, net zo zwart |
| als de nacht die je nog altijd in je mond hebt. |
| Over kraakt het, |
| het snuffelt, piept en kwijlt, |
| en dan dringt het tot je door dat je een hond hebt. |
| Deze dag, deze dag, deze dag |
| is rijp voor een gezwel. |
| Dit is nu zo’n dag |
| waarop je woedend wilt gaan vasten, |
| omdat je naar iets zuivers streeft. |
| Dit is nu zo’n dag |
| waarop je argeloze kinderen |
| afgeschreven strippenkaarten geeft. |
| Ren zo hard je rennen kunt. |
| Het ligt niet aan de buren. |
| Het ligt aan jou. |
| Weer dat zwarte dagblad |
| met koppen levensgroot |
| van het kwaad dat zichzelf zal straffen. |
| Vetgedrukte beursberichten |
| handelen in vrede. |
| Bijtende honden blaffen. |
| Deze dag, deze dag, deze dag |
| is rijp voor een gezwel. |