| Hij was een man uit het jaar nul |
| Zijn tijd ver vooruit |
| Hij vond vliegen een kwestie van |
| Voorzichtig vallen |
| En hij viel van de dichtstbijzijnde berg |
| Behoedzaam naar beneden |
| Hij dacht eerst nog dat het aan de berg lag |
| Maar toen hij zichzelf op de foto zag |
| Verkreukeld in het nieuws van zeven uur |
| Had ie minder praats |
| En wist hij eindelijk zijn plaats |
| Een berg is minder dan een puist |
| Op de korst van de aarde |
| En elke hand maakt nog geen vuist |
| Al denk je iets van waarde stevig vast te houden |
| Nu maakt hij valkuilen onschadelijk |
| Door er zelf in te vallen |
| Zijn roeping werd een beroep |
| En vallen een gewoonte |
| Soms kijkt hij als het lente wordt nog wel eens in de verte |
| Maar zijn vrouw roept: «Stank voor dank, je weet wel beter» |
| Dus rijdt ie met gas op de plank naar zijn volgende kuil |
| Een berg is minder dan een puist |
| Op de korst van de aarde |
| En elke hand maakt nog geen vuist |
| Al denk je iets van waarde stevig vast te houden |
| Een man weegt minder dan het stof |
| Dat hij soms op doet waaien |
| Want stof waait op de grond |
| Maar een man ziet kans met alle winden mee te draaien |