| Leer mij de mensen kennen |
| Ik ben er jarenlang een geweest |
| Maar nu sta ik met mijn poten stevig op de grond |
| Ik ben een kruising tussen een rolmops |
| En een Duitse Staander |
| Ik blaf met een accent |
| Ik kak tegenwoordig op de stoep en ruik aan reten |
| Gek, hoe gauw dat went |
| Ik kwijl als ik mijn baas zie |
| En lik verliefd zijn hand |
| Ik ben een nog veel grotere slijmerd |
| Dan toen ik een stropdas droeg |
| En hem om opslag vroeg |
| Op de schopstoel zat en voor alles een naam |
| Een mening of een reden had |
| Ik ben nog wel wat filosofisch |
| Maar aan de beterende hand |
| Ik ken mijn plaats |
| Ik weet wat er van mij wordt verlangd |
| Dus bijt ik naar de benen van Marokkanen |
| Of hou een bange Turk even in mijn bek |
| Dat geeft een hele hoop gedoe |
| Maar ik blijf het onderwerp van gesprek |
| Mijn baas houdt van luidkeels |
| Van mening te verschillen |
| Dat begint meestal in de kroeg en eindigt vaak op straat |
| Hij doet geen vlieg kwaad |
| Maar zou zo graag willen |
| Hij meent het niet als hij mij slaat |
| Dierenvrienden vind je overal |
| Hun liefde voor ons blijft altijd bestaan |
| Ze sparen al hun woede en hun gal |
| Om elkaar de hersens in te slaan |