| Op een avond heb ik niets te doen |
| Ik neem mijn jas en geef de spiegel een zoen |
| Ik werp een blik in het café |
| Zie de gezichten en zeg bij mezelf nee |
| Dan hoor ik ruzie in de straat |
| En zie de tranen op een hemels gelaat |
| Ze loopt voorbij, maar kijkt me aan |
| Alsof ze mij iets laat verstaan |
| Hé engel, waar ga jij naartoe |
| Ben jij je jonge leventje moe |
| Hé engel, 't is nog niet te laat |
| En ik luister als je praat |
| Ik zie de wonden in je gezicht |
| En voel de pijn in ieder gewricht |
| Wat heeft die vent met jou gedaan |
| Is er een reden om iemand te slaan |
| Ik vraag of zij mijn zakdoek wil |
| Alles blijft heel eventjes stil |
| Maar dan zegt zij met hese stem |
| Laat mij met rust, je bent net als hem |
| Hé engel, waar ga jij naartoe |
| Ben jij je jonge leventje moe |
| Hé engel, 't is nog niet te laat |
| En ik luister als je praat |
| Als je niet langer in mensen gelooft |
| En je waakvlam langzaam dooft |
| Zie je de beelden in je hoofd |
| Van het leven waarvan hij je berooft |
| Hé engel, waar ga jij naartoe |
| Ben jij je jonge leventje moe? |
| Hé engel, 't is nog niet te laat |
| En ik luister als je praat |